De dokter heeft drie manieren om de kanker te behandelen.
Medicijnen (chemotherapie)
Je krijgt medicijnen die ervoor zorgen dat je cellen ophouden met delen (cytostatica of chemotherapie). De medicijnen gaan via je bloed op zoek naar de kankercellen en vernietigen ze. Je krijgt de medicijnen als tabletten of door een injectie (prik) of infuus (via een slangetje in je bloedvat). In het verhaal Chemo-Kasper kun je zien hoe dat gaat. Chemo-Kasper is ook als boekje te bestellen. De dokter weet precies welke medicijnen je nodig hebt en hoe vaak.
Opereren (chirurgie)
De chirurg haalt tijdens een operatie de tumor weg. Als het lukt de tumor helemaal weg te halen en als er geen uitzaaiingen zijn, dan is de kans op genezing groot. Meestal krijg je ook nog medicijnen of bestraling.
Bestralen (radiotherapie)
De dokter probeert met sterke stralen de kankercellen te vernietigen. Dat heet radiotherapie. Bestraling wordt vaak samen met andere behandelingen gegeven. Een bestraling duurt maar een paar minuten, maar je moet een heleboel keer terugkomen. Soms wel vijf keer per week. Het kan wel zes weken duren om alle bestraling te krijgen die je nodig hebt. Omdat de stralen precies op de goede plek moeten komen, moet je heel stil liggen. Kleine kinderen krijgen daarom vaak een beetje verdoving, dan gaat het stil liggen makkelijker. Bestralen doet geen pijn, maar waar de straal je lichaam binnendringt, kan je huid een beetje rood en pijnlijk worden. Hoe bestralen werkt, kun je lezen in het boekje Radio Robbie.